Glas 10
![]() |
| Detail van glas 10 |
![]() |
| Detail van glas 10 |

Strikt genomen hebben in Nederland en andere landen buiten Frankrijk geen Hugenoten gewoond. De mensen, om wie het hier gaat, werden alleen in Frankrijk door de Rooms-Katholieken aldaar zo genoemd. Want 'Hugenoot' was een Frans scheldwoord voor de aanhangers van Calvijn en andere ketters. Toen de Hugenoten eenmaal gevlucht waren voor de vervolging in Frankrijk, waren het in hun nieuwe vaderland gewoon protestanten of waals-gereformeerden. Op internet is veel over de Hugenoten te vinden, een heel aardig artikel vond ik dat van collega-genealoog A.W. Slager.
Veel van de Franse protestanten zijn in Nederland terechtgekomen. Omdat er nogal wat goed opgeleide mensen bij zaten, vooral ook die een vak hadden geleerd, werden ze in het algemeen hier met open armen ontvangen. Rond 1700 maakten in Amsterdam de Fransen al ongeveer 10% van de bevolking uit. Een andere stad met veel aantrekkingskracht voor de Franse protestanten was Leiden met een belangrijke textielnijverheid. Verder zaten de Hugenoten in Zeeland, vooral Walcheren en Zeeuws-Vlaanderen. Het is dan ook heel begrijpelijk, dat veel mensen met voorouders uit die contreien ook Franse wortels blijken te hebben. Bij mij is dat niet anders. Ik noem er een aantal:
Amsterdam
De protestantse kerken legden lijsten aan van hun gemeenteleden, de zg. lidmatenregisters. Ook katholieke geestelijken hielden lijsten bij, daar heten ze communicantenlijsten. Bij de protestanten kon je lidmaat worden 'op belijdenis', maar ook 'op attestatie' van elders. Verhuisde een belijdend lid, dan moest hij, om in zijn nieuwe woonplaats weer lid te kunnen worden, namelijk een attestatie tonen. Dit was een verklaring van de kerkenraad van de gemeente die hij verliet, waaruit bleek, dat hij tot de belijdende leden behoorde. Bovendien moest duidelijk zijn, dat hij of zij van onbesproken gedrag was. Met dit document verkreeg hij toegang tot het zg. Heilig Avondmaal, maar onderwiep hij zich ook aan uitoefening van de kerkelijke tucht.
Om als protestant lidmaat op belijdenis te worden moest catechisatie worden gevolgd, de kerkenraad je hebben aangenomen, waarna openbare belijdenis des geloofs moest worden afgelegd in een kerkdienst, die doorgaans plaats had op de zondag voor Pasen.
Een prachtig voorbeeld van een attestatie is dat van mijn betovergrootvader Herman Gijsbert Keppel Hesselink, die leefde van 1811 tot 1888. In 1860 ging hij tijdelijk naar Zuid-Afrika en kreeg van zijn kerkenraad in Warnsveld een attestatie mee (zie afbeelding). Ik vond deze onlangs in oude familiepapieren. In ieder geval was hij 'onberispelijk in leer en wandel'. Is de layout niet schitterend? Worden nu ook nog attestaties afgegeven? Zeker wel, maar niet meer in de PKN. Je moet daarvoor lidmaat zijn van bv. de Christelijke Gereformeerde kerk, de Gereformeerde kerk (Vrijgemaakt) of de Nederlands Gereformeerde kerken. Meer hierover in Wikipedia.
Laatst ontving ik een brochure getiteld "Het huwelijk nader bekeken". Het is een uitgave van Buijten & Schipperheijn, ISBN 905881100x en het verwoordt de visie van de Christelijke Gereformeerde Kerken in Nederland. Uiteraard zit er nogal wat theologie in en het standpunt van de CGK ten aanzien van o.a. samenwonen en homohuwelijk, resp. hoe als plaatselijke kerken met deze thema´s om te gaan. Omdat dit een genealogisch blog is, wil ik het daar niet verder over hebben, hoewel het mij wel interesseert. De brochure bevat echter ook een historisch deel inzake huwelijksopvattingen in de kerk en de conclusies daaruit neem ik integraal over:
a) Opvallend is de parallel tussen de situatie van de oude kerk vóór Constantijn de Grote en de kerk in onze moderne samenleving. De ont(w)aarding van het huwelijk en de vervaging via allerlei tussenvormen van relaties waren toen en zijn nu aan de orde.
b) De getuigende opstelling van de christenen in de oude kerk bleek o.a. in het niet willen meegaan met de vervaging en vervlakking, maar daartegenover juist opkomen voor de bijbelse visie op het monogame huwelijk.
c) De vroege kerk heeft zich bezonnen op het wezen van het (christelijke) huwelijk. Toen daartoe (vanaf Constantijn de Grote) mogelijkheden kwamen, heeft zij aan die huwelijksvisie maximaal gestalte willen geven in kerk en samenleving.
d) Huwelijk en niet-huwelijk heeft de vroege kerk steeds duidelijk willen onderscheiden.
e) In de oudchristelijke visie is Gods handelen in het huwelijk constitutief; dat geeft aan het huwelijk een hoge waardering. Dan krijgen elementen als bescherming, wederzijdse trouw en hulp een extra diepe dimensie.
Dan de conclusies inzake 1570-1620 in Holland:
a) De gereformeerde kerk heeft het in kerk en samenleving opgenomen voor het hoge karakter en de bijbelse normen van het huwelijk en ze heeft actief meegewerkt aan een goede huwelijkswetgeving.
b) De kerk heeft steeds oog gehouden voor "het gemengde karakter" van het huwelijk, deels politiek, deels kerkelijk/geestelijk van aard.
c) Voor de kerkelijke vergaderingen in Holland was de rechtszekerheid van het huwelijk van groot belang. Daar hebben ze de overheden steeds op aangesproken, waarbij gewezen werd op de bijbelse normen en waarden.
d) In het oplossen van netelige huwelijkszaken hebben de kerkelijke vergaderingen zich voorzichtig opgesteld.
e) Opvallend is de continuïteit tussen de gereformeerde kerk en de oude kerk inzake het bijbels karakter van het huwelijk. De gereformeerde kerk heeft sterk de rechtszekerheid en duidelijkheid van ondertrouw en huwelijk, alsmede het publieke karakter van de huwelijkssluiting, benadrukt.
Een laatste conclusie uit de brochure: De kerk volgt de overheid bij huwelijkssluitingen, maar heeft het recht een eigen lijn in dezen te volgen.
Huwelijk en genealogie zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. Wat de genealoog vooral zal waarderen, uiteraard naast een goed huwelijk, is een goede registratie. Die is, met dank aan Napoleon, vanaf 1811 in Nederland dik in orde. Voor die tijd, en zeker voor 1600, was dat een stuk lastiger.
Een paar jaar geleden verscheen van de hand van Agnes Amelink het boek "De Gereformeerden", dat hoge verkoopcijfers haalde. Uitgeverij Bert Bakker liet nu haar nieuwe boek "Gereformeerden overzee" het levenslicht zien. Het past goed bij mijn laatste bijdragen op dit blog. 5% van de Nederlandse bevolking emigreerde tussen 1945 en 1955. De meesten gingen naar Canada, de V.S. en Australië. Maar liefst 31% van hen was gereformeerd. Het was al met al geen pretje, die overtocht per troepentransportschip, en de eerste tijd in het nieuwe vaderland. Vijf toiletten en douches per 80 zeezieke opvarenden. De beloofde boerderijen waren eerder kippenhokken. Slapen op de grond, de ratten liepen over je gezicht. Heel erg hard werken was de beste methode om op te klimmen. De huisvrouwen hadden het verreweg het slechtst, ze werden verteerd door eenzaamheid en heimwee naar hun familie in Nederland. De taal beheersten ze nauwelijks. Hun enige houvast was de zondagse kerkdienst. Er werden al gauw eigen kerken in elkaar getimmerd. Ze sloten zich in de regel aan bij de CRC (Christian Reformed Church), een kerk gesticht door Nederlanders zo'n 100 jaar eerder. Het kerkelijk leven werd geheel naar Nederlands model ingericht, met organisaties op elk gebied. Er was ook een groot netwerk van scholen. Alle gereformeerden van welke Nederlandse richting dan ook (Hervormd, gereformeerd, christelijk gereformeerd en gereformeerd vrijgemaakt) zaten samen in één kerk. Met niet voor lang, de eerste vrijgemaakte kerken werden in 1950 gesticht. Nu zijn het er al vijftig met 16000 leden. Later gingen ook de Hervormden en de Christelijke Gereformeerden hun eigen weg. Vanwege de kwestie "vrouw in het ambt" volgde ook nog een scheuring in de CRC. Het lijkt precies op de Nederlandse verhoudingen. De schrijfster heeft met veel mensen gesprekken gevoerd, met de immigranten zelf, maar ook met hun kinderen en kleinkinderen. Bij elkaar levert het een boeiend en levendig beeld op van de gereformeerde emigranten.
Dit artikel werd ontleend aan het blad "Opbouw" van de Nederlands Gereformeerde Persvereniging van 24 november 2006.
Wanneer u genealogie tot uw hobby's rekent, dan weet u hoogstwaarschijnlijk, waar de letters D, T en B voor staan: Dopen, Trouwen en Begraven. Ze slaan op de registratie van deze gebeurtenissen in het leven van de mensen van voor de invoering van de burgerlijke stand in 1811 (1796).
De kwaliteit van de inschrijvingen is sterk wisselend, soms is de tekst bijna onleesbaar, omdat de koster of pastoor dan wel dominee een rottig handschrift had. Een prachtig voorbeeld van een gecalligrafeerd doopregister is dat van Blokzijl uit 1724 (zie afbeelding). Een ander voorbeeld van een fraai uitgevoerd register is het Doodt Boeck van de Parochie van St Matthijs tot Maestricht.
Een gedeelte van het R.K. kerkhof in Oudorp NH, zoals het er vanmiddag uitzag.
Een opmerkelijk initiatief van de R.K. begraafplaats Onze Lieve Vrouw van Lourdes aan de Smetsakker in Eindhoven. Deze begraafplaats heeft een website ondergebracht bij Begraafplaatsenonline.nl en biedt de mogelijkheid een 'virtueel graf' in te richten. Het is een soort In Memoriam of, zo u wilt, een uitgebreid bidprentje, waar foto's en audio-, dan wel videobestanden kunnen worden opgenomen. Voor de in 2000 overleden musicus Frantisek Plojhar is al iets dergelijks gedaan. De plaats van zijn graf wordt ook nog op een plattegrond aangegeven.
Van steeds meer begraafplaatsen worden alle graven geïnventariseerd, gefotografeerd en op internet gepubliceerd. Inmiddels zijn er voorbeelden te over, surf eens naar Genealogie Startpagina en ga dan naar het kopje Begraafplaatsen. Het is een uiterst belangrijke bron geworden voor gegevens van honderdduizenden overledenen in de twintigste eeuw en soms ook nog daarvoor. Beheerders van begraafplaatsen hebben de vervelende gewoonte graven periodiek te ruimen, dus is haast geboden. Rusten in vrede?
26 mei 1578 is een datum, die een grote ommekeer van het leven van de Amsterdam-mers markeert: vooraanstaande katholieken werden de stad uitgebracht en de magistraat (het stadsbestuur) werd vervangen. Het was bij elkaar een religieus-politieke omwenteling, die van grote invloed was tot 1795. In die ruim 200 jaar speelde de gereformeerde kerk een grote publieke rol in de samenleving en cultuur van de stad. Aanvankelijk stonden de gereformeerde en de katholieke kerk als publieke kerk naast elkaar. Kort daarop werden diverse kerkgebouwen van de katholieken van beelden en altaren ontdaan om vervolgens door de protestanten in gebruik te worden genomen. Het betrof allereerst de Oude Kerk, korte tijd later de Nieuwe Zijdskapel en de Nieuwe Kerk. Katholieken konden alleen nog maar in kloosters en particuliere huizen bijeenkomen. Al in 1580 werd ook dit verboden. Amsterdam was officieel een gereformeerde stad geworden met een verregaand burgerlijke rol. In de eerste decennia van de 17e eeuw werden meerdere nieuwe kerken gebouwd. Het waren openbare gebouwen, waar iedereen kon binnenlopen. Ook dienden ze als openbare begraafplaatsen, de aanzienlijken werden in, minder welgestelden buiten de kerk begraven. In de kerken werden huwelijken gesloten en kinderen gedoopt. Kerkdiensten werden niet alleen zondags, maar ook op doordeweekse dagen gehouden. Er was uitdrukkelijk sprake van rangen en standen, bv. bij de viering van het avondmaal. Predikanten waren in stadsdienst en werden benoemd door de burgemeesters. Rond 1650 kregen andere kerken meer vrijheden en bevoegdheden. Joden mochten geen erfelijk poorter (en dus gildelid) worden. De gereformeerden vormden tot 1700 een minderheid van de bevolking. De katholieken verzamelden zich aanvankelijk vooral in het Begijnhof. Het stadsbesuur was in de regel tolerant tegenover katholieke priesters. Het aandeel katholieken in de Amsterdamse bevolking heeft altijd rond 20% bedragen. Doopsgezinden vormden een veel kleinere groep. Ook zij werden getolereerd, omdat ze geen problemen veroorzaakten en hard werkten. Scheuringen in alle geloofsgemeenschappen kwamen voor. De zo ontstane Remonstrantse Broederschap mocht zich in het begin, net zo min als de katholieken, organiseren. In 1630 veranderde dat. Immigranten kregen eigen (gereformeerde) predikanten en kerkgebouwen. Het bekendst zijn de franstalige Walen. Het Jodendom was een getolereerde religie. Gemengde huwelijken waren verboden. In 1797 vormden de joden ongeveer 10% van de stadsbevolking. De Lutheranen vormden een plaatselijke kerkelijke gemeente, met goede banden naar Duitse en Scandinavische vorsten. Het accent werd in de loop der jaren verlegd van het Duits als taal naar het Nederlands. In 1714 werd een oosters-orthodoxe kerk gesticht.
De preek stond centraal in de erediensten van bijna alle geloofsgemeenschappen. Een goede retoriek was belangrijk. Voorzangers en organisten moesten aan hoge eisen voldoen. Mannen en vrouwen zaten in de regel gescheiden in de kerk. Gratis zitplaatsen waren schaars. Er ging veel geld om in de kerken voor nieuwbouw en onderhoud, salarissen en armenzorg. Daarvoor stonden fondsen ter beschikking. Een zuinige huishouding was wel vereist. Andere inkomsten vormden collecten, giften en bijdragen. In het persoonlijk leven was het gebed belangrijk. Het gezinshoofd ging voor in bijbellezing en vermaning.
In 1795 werd de scheiding van kerk en staat een feit en was de gereformeerde kerk niet langer bevoorrecht in de samenleving van de stad.
Dit artikel is ontleend aan het zeer uitgebreide artikel van Jo Spaans, na te lezen op deze website. Van harte aanbevolen!
In mijn voorgeslacht komen 'cleyne luyden', maar ook 'rijke stinkerds' voor. Zo'n mengsel maakt genealogie en misschien ook wel jezelf als persoon zo interessant. In mijn wezen bespeur ik beide kanten. Maar is 'rijke stinkerd' geen belediging? Eigenlijk niet, want bij leven waren deze mensen misschien wel rijk, maar ze stonken niet per sé. Hoewel, lichaamsreiniging was in vroeger eeuwen eerder uitzondering dan regel. De kleren werden veel vaker gewassen dan het lijf.
Nee, het had te maken, niet met het leven, maar met de dood. De meer welgestelde inwoners werden tot ca. 1825 meestal begraven in grafkelders onder de zerkenvloer van de kerk . Vaak waren dat familiegraven. Zo heb ik bijvoorbeeld genoteerd uit het begraafboek van Zaltbommel in 1788: "Jonge Jouffr. van de Kamer legt bij de 3 Pylaar in het Zuiden in het familiegraf". Het spreekt vanzelf, dat het lichaam vrij snel tot ontbinding kwam, waarbij de typische lijkgeur ontstond. Deze was ook in de kerk te ruiken. Wat zei het kerkvolk dan? "Daar ligt weer zo'n rijke stinkerd!" Want de minder welgestelden werden buiten op het kerkhof begraven. Was er wat tegen die geur te doen? Zeker wel, pepermuntjes eten! Dat gaf een frisse smaak èn geur. Met name in de kerken van de Hervorming is dit nog steeds gewoonte. Wanneer de preek begint zie je de rollen pepermunt de rijen door gaan. Als je het langzaam in de mond laat smelten haal je met dat snoepje misschien net het einde van de preek. Grappig, hè? Nam niet menige vrouw ook een flesje Eau de Cologne mee naar de kerk? Het is maar mijn eigen theorie, maar zou de wierook tijdens de mis niet ook als luchtverfrisser hebben moeten fungeren?
Wanneer u hier klikt komt u terecht op de site "Graven op Internet - Een zoektocht naar de levens van Amsterdammers toegedekt door grafstenen in de Oude kerk van Amsterdam". Hoogst informatief, dus doen!